Persoonlijk

Elke dag een flardje

Lang geleden schreef ik heel regelmatig blogs. Het was een structureel onderdeel van mijn leven en ik was voortdurend alert op kiempjes in mijn hoofd naar aanleiding van wat ik om me heen zag en hoorde. Toen ik ging werken was dat ineens snel voorbij. Was het gebrek aan inspiratie, gebrek aan tijd/energie of een soort voorzichtigheid in wat je deelt met de wereld als je niet meer een zorgeloze student bent maar een volwassen wereldburger met een baan?

Een aantal keer heb ik geprobeerd de draad weer op te pakken, maar het is nooit echt gelukt. Niet alleen met bloggen trouwens, maar met schrijven in het algemeen. Ik schreef naast blogs namelijk ook wel verhalen, gedichten en andere schrijfsels die ik niet deelde omdat ze of te persoonlijk waren, of nooit afkwamen. Vanaf dit schooljaar ben ik iets minder gaan werken, waardoor ik elke vrijdag vrij ben. Ik had bedacht dat ik die vrijdagen kon gebruiken om weer meer te gaan schrijven. Toch deed ik het niet. De weekenden en weken vlogen voorbij, maar letters kwamen niet op papier. Niet omdat er geen inspiratie was, maar simpelweg omdat ik er niet voor ging zitten.

Schrijven is voor mij een middel om zelfonderzoek te doen, thema’s te verkennen en uit te diepen, ervaringen en overwegingen aan het papier toe te vertrouwen. Schrijven is leuk en lekker, soms verhelderend, soms bevrijdend. Gelezen worden is leuk natuurlijk, maar het doel van schrijven is voor mij het schrijven zelf, dus meer dan een pen en papier pakken en ervoor gaan zitten is niet nodig. En toch deed ik het niet.

Volgens Erik Scherder kun je al in 25 dagen van gedrag een gewoonte maken. Hij had het eigenlijk over Ommetjes, maar aangezien ik heel vaak wandel met de Ommetje-app, vindt hij het vast wel goed als ik dit voor de gelegenheid even toepas op schrijven. Ik had nog een nieuw notitieboekje liggen op A5 formaat. En een paar dagen geleden zei mijn toen koortsige brein tegen mij dat het er maar eens van moest komen. Dat doet koorts soms met je, je ligt in bed omdat je een virusje hebt opgedaan en uit het niets popt de vraag bij je op waarom je nog steeds je voornemen niet hebt uitgevoerd.

En dus begon ik woensdagavond met wat ik vanaf donderdagavond ‘Elke dag een flardje’ ben gaan noemen. ’s Avonds voor ik ga slapen pak ik mijn notitieboekje erbij en begin ik gewoon te schrijven zonder te weten waar het naartoe zal gaan. Soms is dat een ervaring van de dag, soms iets wat blijkbaar in mijn hoofd zit en wat dan uit mijn pen komt rollen. Soms pagina’s lang, soms slechts enkele zinnen, het is allemaal goed.

Ik heb bedacht dat ik elke week vanuit de flardjes een blog wil schrijven. Iets dat ik die week heb opgeschreven en dat ik wil delen met jullie. Ik heb getwijfeld of ik dit nu wel moet schrijven en publiceren, want ik ben nog maar op dag 5 van 25, dus een gewoonte kan ik het nog niet noemen. Het was veiliger geweest als ik pas over 25 dagen was begonnen met de eerste blog, zodat ik zekerheid had dat het schrijven van de flardjes een ingesleten gewoonte aan het worden was. Er bestaat dus nog een reële kans op falen, maar dat maakt het ook wel spannend.

Volgende week dus weer een blog (hoop ik)!

Actualiteiten·Om over na te denken·Persoonlijk

Een wijze les van een te jonge vrouw

Als achttienjarig meisje met een vakantiebaantje in de huishoudelijke hulp, kwam ik op een dag terecht bij een vrouw van begin veertig. De meeste cliënten waren minimaal zeventig jaar, dus het was op zichzelf al bijzonder om bij een gezin met drie tienerkinderen terecht te komen. De vrouw was ernstig ziek, ze had chronische leukemie en, zoals ik drie weken later in de krant las, nog maar kort te leven.

De laatste tijd moet ik vaak aan deze vrouw denken. Aan de buitenkant zag je niet dat ze ziek was, behalve dat ze veel op bed lag te rusten. Terwijl ik haar slaapkamer schoonmaakte, vertelde ze dat als je niet zoveel meer kunt, je anders naar het leven gaat kijken. ‘Ik was afgelopen weekend naar de Action en het voelde echt als een uitje. Ik had me er vooraf zo op verheugd en ik heb er ontzettend van genoten,’ vertelde ze. En terwijl ze dat zei straalden haar ogen en lag er een blije lach om haar mond.

Ergens naar uitzien is belangrijk, las ik laatst in een artikel in de Volkskrant. Het maakt de maanden januari en februari draaglijk. De maanden waarin alle feestelijkheden weer voorbij zijn, de goede voornemens mislukken en het koud en donker is. In januari en februari maken we graag plannen, voor het voorjaar, voor de zomervakantie. Dat hebben we ook nodig, omdat we dan iets hebben om naar uit te kijken en voorpret voor te hebben.

Momenteel heeft het uitzien naar iets een extra dimensie. We verheugen ons op het leven na de pandemie, het leven waarin alles weer kan, waarin we in januari plannen kunnen maken voor onze zomervakantie en ervan uit kunnen gaan dat het doorgaat. Het leven waarin we ’s ochtends kunnen bedenken dat we zin hebben om naar een museum te gaan en een terrasje te pakken en dat dat gewoon kan. Het leven waarin we elkaar weer mogen knuffelen in plaats van met een boog om elkaar heen te lopen.

De vrouw had niet de luxe zich te verheugen op het leven na haar ziekte. Ze wist dat ze nooit meer een normaal leven zou hebben, dat ze niet meer naar al die landen zou gaan die ze nog graag had willen bezoeken, dat ze de mooie momenten in het leven van haar drie kinderen niet meer zou meemaken. Ze had alleen nog wat ze op dat moment nog kon en dat zou alleen maar minder worden. En dus verheugde ze zich op iets dat normaal gesproken klein en onbenullig is en genoot er ontzettend van.

Nu wij nog maar weinig kunnen, zakt de moed soms een beetje in mijn schoenen, bijvoorbeeld als door de invoering van de avondklok het leven nog beperkter gaat worden. Op die momenten denk ik altijd even aan de vrouw en haar stralende ogen toen ze vertelde over haar bezoekje aan de Action. En dan weet ik weer dat het een luxe is te weten dat er een tijd komt waarin we het gewone leven weer kunnen oppakken en dat het uiteindelijk niet gaat om wat er allemaal kan, maar om hoe goed je ervan kunt genieten.

Over mij

Boeken, boeken, boeken….

Het einde van 2020 is in zicht. Hoewel de tijd in bepaalde opzichten stil leek te staan, is het in zekere zin ook voorbij gevlogen. Het was een jaar van wachten. Wachten tot het allemaal weer kon. Eerst op 31 maart, toen op 28 april, vervolgens op 1 juno en daarna op een vaccin. Het wachten is nog niet voorbij. Maar als je toch moet wachten, kun je net zo goed gaan lezen, moet ik ergens onbewust hebben gedacht.

Ik had mezelf een challenge gegeven van 50 boeken, deels in vooraf bepaalde categorieën. Halverwege het jaar zette ik deze omhoog naar 75. Het werden er 86. Ik vond het leuk om met categorieën te werken. Het leerde me ook wel iets over mijn leesgedrag. Zo merkte ik dat het niet nodig was om de categorieën ‘voor mij nieuwe schrijvers’, ‘DWDD panel’ en ‘CPNB top 10’ op te nemen. Boeken in deze categorieën lees ik sowieso wel.

Ik heb mijn challenge volledig gehaald en uiteindelijk ook alle categorieën kunnen afvinken. Ik dacht lange tijd dat ik de klassieker niet had gelezen, tot ik erachter kwam dat ‘Liefde in tijden van cholera’ ook tot de klassiekers wordt gerekend. Kon ik hem toch nog afvinken. Wat ik allemaal heb gelezen, kun je hier vinden. In deze blog licht ik alleen de boeken uit die bijzondere aandacht verdienen.

Na lang beraad koos ik ‘De bijenhouder van Aleppo’ van Christy Lefteri als ‘boek van het jaar 2020’. Dit gaat over een man en een vrouw die in Aleppo alles verloren hebben, inclusief hun zoontje. Het verhaal confronteert ons met het zware vluchtelingenbestaan en de traumatische achtergrond van vluchtelingen. Een actueel verhaal dat ook nog eens goed is geschreven.

Dit zou mijn boek van het jaar zijn geworden, ware het niet dat Marieke Lucas Rijneveld op de valreep opnieuw van zich liet horen. ‘Mijn lieve gunsteling’ gaat over een 49-jarige veearts die verliefd is op een veertienjarig meisje. Rijneveld kiest voor een bijzonder perspectief, namelijk de tweede persoon. Zoals Rijneveld het zelf omschrijft gaat het boek vooral over verboden liefde en dat is terug te zien, want gehuld is de prachtige taal van Rijneveld is het spanningsveld tussen afschuw en liefde het hele boek door voelbaar.

Ik zou natuurlijk nog veel meer boeken kunnen noemen, maar ik hou het op ‘De meeste mensen deugen’ van Rutger Bregman. Bregman haalt alle theorieën die ik in mijn sociale opleidingen heb geleerd heerlijk onderuit met als resultaat een mensheid die over het algemeen best wel deugt. In het afgelopen jaar konden we zo’n boodschap wel gebruiken.

De challenge van 2021

Hoewel ik in 2020 heel veel boeken heb gelezen, zet ik mijn challenge voor 2021 weer ouderwets op 50 boeken. Ik ga er namelijk vanuit dat we heel snel weer allerlei andere activiteiten kunnen doen en dat ik dus in 2021 net zoveel moeite heb met een challenge van 50 boeken als alle jaren hiervoor.

Zoals ik al aangaf beviel het me wel te werken met vooraf bedachte categorieën, maar waren ze niet allemaal even waardevol. Daarom kies ik voor 2021 voor de volgende challenge:

  • Ik ga 3 vergeten boeken lezen. Vergeten boeken kun je natuurlijk invullen zoals je wilt, maar ik vul het in als boeken die ik al jaren in de kast heb staan, maar die ik niet als eerste zou pakken.
  • Ik wil dat mijn ‘wil ik lezen’ plank onder de 100 boeken komt. Die staat nu op 127, dus eigenlijk weet ik al dat deze uitdaging een beetje te groot is, maar we gaan er toch voor.
  • Ik wil beginnen met de serie van Diana Gabaldon ‘De reiziger’. Deze heb ik vorig jaar gewonnen op hebban en staat nog steeds op mij te wachten.
  • Ik wil 2 klassiekers lezen, namelijk:
    • Jane Eyre van Charlotte Brönte
    • 1984 van George Orwell
  • Tot slot lees ik in 2021 een nieuw debuut.

Ik kijk uit naar weer een mooi leesjaar. Al hoop ik stiekem dat ik er eigenlijk geen tijd meer voor heb vanwege alle andere activiteiten die straks weer gewoon kunnen. Ik wens iedereen een mooi en hoopvol 2021!

Om over na te denken·Taaldingen

Het is oorverdovend stil

De eerste keer dat ik in aanraking kwam met een oorverdovende stilte, was toen ik een tiener was en een boek las. Het was de eerste zin van een hoofdstuk en ik was een beetje overdonderd. Hoe kan dat nou, vroeg ik me af. Hoe kan stilte nu zo hard klinken dat je er doof van wordt? Toen ik de term laatst opnieuw tegenkwam, besloot ik toch maar eens te onderzoeken hoe dat nou eigenlijk zit met die oorverdovende stilte.  

Om iets te kunnen horen heb je twee dingen nodig. Je lichaam moet in staat zijn geluid op te vangen en er moet een bron zijn waar geluid vandaan komt. We gebruiken de term ‘doof’ om aan te geven dat je lichaam niet in staat is het geluid op te vangen en we noemen het ‘stil’ als er geen bron van geluid is. Een stilte zorgt er dus voor dat je niets hoort. Kun je dat dan oorverdovend noemen?  

Het lijkt de omgekeerde variant van de filosofische discussie over het geluid van een vallende boom als er niemand is om het geluid te horen. Is er dan wel sprake van geluid of spreken we pas over het geluid als de trillingen ervan ook opgevangen kunnen worden? Waar in het geval van de stilte de bron van het geluid ontbreekt, ontbreekt in dit geval het gehoororgaan dat in staat is het geluid op te vangen.   

Maar als we inderdaad zouden zeggen dat bij het ontbreken van geluid er sprake is doofheid, zou dan niet elke stilte oorverdovend moeten heten? Als je ’s avonds in bed ligt en het is stil, dan noem je dat niet zo snel een oorverdovende stilte. De oorverdovende stilte vinden we op momenten dat die stilte ongemakkelijk is en er misschien eigenlijk niet zou moeten zijn. Nadat er een pijnlijke boodschap is gebracht bijvoorbeeld, en het stilvalt omdat die boodschap verwerkt moet worden. Of voorafgaand aan de boodschap, als je eigenlijk al weet dat het niet goed is. De oorverdovende stilte is dus niet zomaar een stilte, maar een stilte die onheilspellend is.  

Misschien verdooft de oorverdovende stilte wel niet zozeer je oren, maar komt deze stilte zo hard binnen dat je in het geheel even verdoofd bent. Als dat zo is, hoeft een oorverdovende stilte zelfs niet stil te zijn. Het zou dan ook zo kunnen zijn dat je even verdoofd bent en dat je oren daardoor een moment geen geluid opvangen, ook als er wel een bron van geluid is.  

Hoe dan ook, de oorverdovende stilte is geen pretje. Het duurt misschien niet lang en je wordt er niet echt doof van, maar mijn voorkeur gaat toch uit naar ‘oogverblindend’.  

Actualiteiten·Maatschappij·Maatschappij en Actualiteiten·Om over na te denken·Onderwijs

De tegenstelling voorbij

Afgelopen week lag onderwijsminister Arie Slob onder vuur omdat hij het steunde dat reformatorische scholen de ouders een identiteitsverklaring laten ondertekenen waarin onder andere staat opgenomen dat zij afwijzend staan tegenover homoseksualiteit. Als dit soort kwesties naar boven komen, schieten we altijd in de tegenstelling waarin de ene groep zich gediscrimineerd voelt en de andere groep het ervaart als inperking van de vrijheid van levensovertuiging. Dat is jammer, want daardoor hebben we het niet over degenen waar het daadwerkelijk om draait, namelijk de homoseksuele christelijke jongeren.  

De middelbare schooltijd is doorgaans de periode waarin jongeren hun identiteit opbouwen en beginnen te ontdekken wie ze zijn. Een belangrijke periode waarin jongeren vaak ook hun seksuele geaardheid ontdekken. Voor veel jongeren, ook voor jongeren in een omgeving waarin het wel geaccepteerd wordt, is het moeilijk te ontdekken dat ze homoseksueel zijn. Het betekent dat je anders bent en juist op die leeftijd willen we graag zoveel mogelijk hetzelfde zijn als de mensen om ons heen.  

Wie opgroeit binnen bepaalde christelijke stromingen en tot deze ontdekking komt, moet daarbovenop nog met iets anders dealen. Homoseksueel zijn betekent dan niet alleen dat je anders bent, maar ook dat je daarom afgewezen zult worden, dat er over je gepraat zal worden. Bovendien is het vanuit de overtuiging die de jongere op dat moment mogelijk ook zelf nog heeft, niet geaccepteerd iets te doen met die gevoelens. Dat de omgeving ook nog eens sterker dan andere groepen georiënteerd is op het kerngezin van man, vrouw en kinderen, maakt het niet makkelijker.   

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat het percentage homoseksuelen binnen de christelijke kring anders is dan daarbuiten. Dat betekent dat 5% van de scholieren op reformatorische scholen zal ontdekken dat zij homoseksueel zijn. In elke klas zitten gemiddeld 1 tot 2 homoseksuele leerlingen.  De kans is groot dat deze jongeren hun identiteit, hun ik, gaan verbergen. Want waarom zou je jezelf blootgeven als je er toch niets mee mag doen en je omgeving je erom veroordeelt?

Zolang we blijven proberen de ander te overtuigen van onze mening, zal de aandacht niet gaan naar hoe we deze jongeren kunnen helpen. Ik zou het zo mooi vinden als deze scholen uitleggen hoe ze toch een veilig klimaat creëren voor deze jongeren. Want dat zei Arie Slob ook: het is verplicht een veilig schoolklimaat te creëren. Hoe zorgen scholen er, binnen deze overtuiging, voor dat jongeren de ruimte vinden om te praten over hun homoseksuele gevoelens, zonder bang te moeten zijn voor afwijzing en geroddel? Hoe zorg je ervoor dat ook deze jongeren zich prettig, geliefd en gewaardeerd voelen, zonder zichzelf te moeten verbergen? Hoe helpt de school deze jongeren in het opbouwen van hun identiteit? Op alle scholen is dit lastig, maar deze scholen hebben daarin een extra grote uitdaging.  Gaan zij deze uitdaging ook aan?

Maatschappij·Wat ik meemaak

Gij zult niet stelen

We weten allemaal natuurlijk wel dat het niet mag. Dat het niet zo leuk is als er iets van je wordt afgenomen. Of dat nu iets is dat veel waarde heeft of iets dat weinig waarde heeft, het is van jou en een ander heeft daarvan af te blijven. En wij doen dat natuurlijk ook niet. Nooit. Toch? 

Een paar weken geleden was ik samen met mijn zus een week naar Buitenkunst. Voor wie het niet kent: bij Buitenkunst kampeer je in een prachtig bosrijk gebied en kies je elke dag één van de vele workshops in de disciplines muziek, beeldende kunst, schrijven, theater of dans. In de avond is er vervolgens een uitgebreid programma met presentaties van diverse workshops en de aankondigingen van de workshops van de volgende dag. Een feestje dus voor iedereen die het leuk vindt een beetje creatief bezig te zijn.  

Nu was stelen niet een van de workshops en zijn de mensen die naar Buitenkunst komen in principe geen dieven. Toch zette dit weekje mij aan het denken over steelgedrag van mensen. Ik vond het namelijk nogal interessant dat bepaalde waardeloze spullen wel werden gestolen, terwijl dat wat juist wel waarde heeft, bleef liggen. 

Zo lieten wij onze zaklamp per ongeluk in het toiletgebouw liggen. Even later was er geen spoor meer van een zaklamp. Toen ik mijn koelelementen in de daarvoor bestemde vriezer wilde leggen, zei een meisje tegen mij dat ik ze maar beter ergens in kon doen en van mijn naam kon voorzien. Anders zouden ze zo weg zijn, was haar ook overkomen. En als je niet al te ruim zit in je toiletpapier, kun je het maar beter niet laten hangen in het toilethokje. De rol wordt misschien niet direct meegenomen, maar is wel binnen no time op.  

Koelelementen, wc-papier, zaklampen, je kunt het voor weinig geld overal krijgen. Niet dat dat betekent dat ze waardeloos zijn natuurlijk. Bij Buitenkunst heb je weinig aan een pinpas en een telefoon, terwijl een zaklamp ontzettend handig is, wc-papier een noodzakelijkheid en een koelelement toch zeker wel prettig. Dat zou een reden kunnen zijn om noodzakelijke spullen, die je misschien zelf niet, of niet genoeg hebt meegenomen, te stelen van een ander.  

Een andere reden zou kunnen zijn dat het niet echt voelt als stelen. Het is immers niets waard wat je meeneemt. Dat die ander dan misschien zonder zit door jouw schuld, komt misschien wel niet eens bij je op. Misschien had een ander jouw koelelementen wel meegenomen en nam je daarom maar een paar van een ander mee. Je kunt dat makkelijk goedpraten voor jezelf ondanks dat je weet dat een ander dan hetzelfde overkomt als jou. Hoe meer je de ander benadeeld, hoe meer moeite het je kost je geweten te overtuigen dat het wel kan. Je schuldgevoel gaat opspelen. En dus laat je die telefoon, die onbeheerd aan de oplader ligt, eerder liggen dan de zaklamp die iemand vergeten is. Want een telefoon meenemen, dat is wel echt stelen.  

Of ligt de sleutel in de anonimiteit? In het wc-hokje ziet niemand dat jij de zaklamp in je zak stopt of de toiletrol van een ander gebruikt of zelfs meeneemt. In de container met de vriezers is het niet moeilijk om zonder gezien te worden een paar koelelementen te pakken. Zeker als ze los liggen en er geen naam op staat, zal niemand zich afvragen of ze wel van jou zijn. Bovendien ken je de eigenaar niet. Je ziet dus niets van de gevolgen van wat jij hebt gedaan. Dat is anders dan een telefoon. Die behoort echt toe aan iemand. Het is ook anders dan iets uit een tent stelen. Of je de persoon nu kent of niet, je betreedt dan het privéterrein van een ander.  

Er is ook een verschil in hoe je kijkt naar al dit steelgedrag. Dat de zaklamp werd gestolen, was een klein beetje vervelend, maar blijkbaar had iemand hem heel hard nodig. Je weet ook gewoon dat je moet opletten dat je je spullen meeneemt. Als je krap zit in je toiletpapier, dan moet je je rol niet laten hangen. En van koelelementen neem je voldoende mee, zodat als er eentje gestolen wordt of kwijtraakt, je niet meteen zonder zit.  

Ik zie iemand die een kleinigheidje meeneemt niet meteen als een dief. Een telefoon, geld of iets anders waardevols zou ik iets anders vinden. Bij iedereen ligt ergens de grens. Sommigen zullen nog niet eens de toiletrol gebruiken die iemand heeft laten hangen, terwijl anderen daadwerkelijk spullen van een ander meenemen. Goed te praten is het niet, maar ik durf te wedden dat de meeste mensen zich ooit in meerdere of mindere mate wel eens schuldig gemaakt hebben aan steelgedrag.  

Gelukkig maar, want ik ben vergeten een euro in het varkentje te doen voor de vriesbeurt van de koelelementen….  (maak ik volgend jaar goed, beloofd!) 

Actualiteiten

Verlangen

Ken je dat, dat je een vakantie geboekt hebt en vervolgens steeds zo blij wordt als je daaraan denkt? Je bedenkt wat je allemaal gaat doen tijdens je verblijf. Wandelingen in de natuur, een museum bezoeken, gebouwen bezichtigen, op het strand liggen met een heerlijk boek. Je stelt je het gevoel van rust en ontspanning voor. Je hebt er zin in, zo ontzettend veel zin in. Hoe dichter je bij het moment komt dat je op vakantie gaat, hoe blijer je ervan wordt daaraan te denken.

Gisteren hebben we gehoord dat we minstens tot 28 april nog aan huis gekluisterd zijn. Veel grote evenementen waar we al een tijdje naar uitkeken, zullen niet doorgaan. Koningsdag zal niet zoals gebruikelijk gevierd worden, er zullen geen bevrijdingsfestivals zijn, voorlopig geen vakanties, geen Songfestival, geen Olympische Spelen.

Het leven wordt leeg en saai, maar dat ligt natuurlijk niet in de eerste plaats aan het uitblijven van de grote evenementen. Veel gewone dingen zijn nu afwezig. In plaats van naar je werk gaan, zit je thuis achter de computer. Bij mij begint langzaamaan de verveling een beetje toe te slaan. Vooral in de avonden, waar je normaal gesproken je sociale activiteiten gepland hebt staan. Elke avond is nu hetzelfde en het idee dat het nog wel even gaat duren, vind ik best lastig.

Maar tegelijk gebeurt er ook iets anders. Toen ik gisteren aan het lezen was, bedacht ik hoe heerlijk het straks zal zijn als ik voor het eerst weer naar de bibliotheek kan. Dat je weer langs die rijen kasten met boeken loopt, door die boeken heen bladert en ze terugzet of meeneemt. Iets dat anders een regelmatige activiteit was, waar ik amper bij nadacht, is nu iets om naar uit te kijken.

En zo is het met alles. Met iemand (na een knuffel en een zoen natuurlijk!) een terrasje pakken, weer samen met anderen muziek gaan maken, een spelletje spelen bij de bordspellenvereniging, tijdens een werkdag samen met je collega’s koffie drinken, gaan shoppen, sneupen in de kringloopwinkel, een museum bezoeken. Allemaal hele normale dingen waar ik ook in normale omstandigheden echt wel naar uitkijk en van geniet, maar nu worden ze ineens speciaal, omdat we moeten wachten voordat het weer kan.

Verlangen is een fijn gevoel. Je weet dat het moment gaat komen. In je hoofd maak je je er al een voorstelling van. Je wordt er blij van om eraan te denken. En hé, hoe langer dit duurt, hoe sterker het verlangen wordt, en hoe meer we straks weer kunnen genieten van alles wat we voorheen zo vanzelfsprekend vonden.

Actualiteiten·Maatschappij en Actualiteiten

Ik ben een trotse Nederlander

Vroeger leerde ik dat de mens in de basis slecht is en altijd geneigd is tot het doen van het verkeerde. Gelukkig strookte mijn ervaring met mensen niet met dit mensbeeld en zo kwam ik al ver voordat ik Rutger Bregman’s ‘De meeste mensen deugen’ las, tot de conclusie dat de mens in de basis geneigd is het goede te doen. In tijden van crisis komt de ware aard van mensen naar voren, en laten we nu net in een crisis zitten. Een goed moment dus om met elkaar te concluderen dat we eigenlijk best deugen.

Dat dacht ik althans, maar ik kwam al snel tot de conclusie dat we die conclusie toch niet zo makkelijk zullen kunnen trekken. Het gedrag van mensen ging namelijk twee kanten op. Er kwamen allerlei initiatieven om te helpen, in de zorg, tegen de eenzaamheid of gewoon om het leven nog een beetje leefbaar te houden. In de portiek van onze appartementencomplexen, waar ook veel ouderen wonen, werden briefjes opgehangen van mensen die bijvoorbeeld wel boodschappen wilden doen als dat nodig was. Er werd geapplaudisseerd voor de zorgmedewerkers. Allerlei fitnessoefeningen verschenen op social media zodat we nog wat fit bleven. Er werden muziekopnames gemaakt van mensen die allemaal vanuit hun huiskamer via hun scherm meewerkten aan het geheel. Allemaal mooie, zorgzame en creatieve initiatieven die duidelijk laten zien dat de mens in de basis graag het goede doet.

Maar er waren ook andere geluiden. Mensen gingen massaal naar de supermarkt en stapelden hun winkelwagentje vol met blikvoer en wc-papier, zodat er voor de hardwerkende zorgmedewerkers niets meer over was toen ze ’s avonds na hun dienst de supermarkt binnenstapten. Toen het mooier weer werd, gingen mensen massaal met de trein een dagje naar het strand en namen daarmee de gevaren voor zichzelf en anderen niet serieus.

Ik zag veel berichten hierover voorbij komen. Zoveel dat het bijna wel leek alsof, afgezien van de schrijvers van die berichten, niemand in Nederland de maatregelen serieus nam. We hoefden maar één ding te doen in Nederland, en dat was luisteren, maar nee hoor, dat deden we niet.

Nu denk ik zelf dat deze strandgangers zich vooraf niet echt realiseerden dat zij niet de enigen zouden zijn die het grandioze idee hadden bedacht om lekker naar het strand te gaan, nu alle andere opties uitgesloten waren. Het idee op zichzelf was helemaal niet zo gek. Ik bedoel, ik ga ook elke dag even een rondje wandelen, een frisse neus halen, even weg van huis. Het probleem was alleen dat veel mensen dit idee hadden en ja, als ze verstandig waren geweest, hadden ze dat uitje beter voortijdig kunnen afbreken.

Ik denk ook dat de hamsteraars in de supermarkten niet zozeer slechte mensen zijn. Als ze zouden weten dat door hun hamstergedrag hun buren niets meer te eten zouden hebben, zouden ze het niet doen. Ze kapen niet bewust voedsel weg voor anderen, maar zien domweg de gevolgen van hun hamstergedrag niet, omdat ‘de ander’ hier een abstractie is. Er zit bovendien een onzekere factor in de toekomst. Je kunt ziek worden, of de landelijke voorraad kan opraken door andere hamsteraars, en dan zit je straks zonder eten of wc-papier. Het is dus ook niet helemaal onverstandig om ervoor te zorgen dat je iets op voorraad hebt, zodat je je in elk geval een week kunt redden. Nu moet ik zelf zeggen dat ik het hamsteren niet zo herken. Ja, de vrijdag na de eerste maatregelen, toen was mijn brood op en zag ik meerdere mensen paniekerig hun winkelwagentje volstouwen in de supermarkt. Maar in de week daarna was de drukte weer nagenoeg normaal.

Nee, mij kun je niet zo makkelijk overtuigen van de slechtheid van de mens. Juist het gegeven dat zoveel mensen zich negatief uiten over de strandgangers en de hamsteraars versterkt mijn beeld. Want al die mensen houden zich blijkbaar zelf wel aan alle regels. En dat zijn er nog altijd veel meer dan de relatief weinig mensen die zich wat minder druk lijken te maken om de medemens. Maar ik realiseer me ook dat ik iemand die het tegenovergestelde beeld heeft, niet zo eenvoudig kan overtuigen.

Gelukkig hoeft dat ook niet. Ik zie om me heen veel mooie dingen gebeuren. Ik zie dat we in tijden van crisis in eerste instantie in de hulpmodus komen. Mensen zijn in de basis gericht op het helpen van anderen. Ook onder normale omstandigheden is die bereidheid er en willen mensen het goede doen, alleen weten we niet altijd hoe we dat moeten doen. Nu wordt het concreet en gaat Nederland massaal in de actie.

Ik ben blij dat ik onderdeel ben van dit mooie land. Ik ben een trotse Nederlander. Niet alleen nu, ook als we straks weer naar het strand kunnen.

Maatschappij en Actualiteiten·Om over na te denken·Over mij·Persoonlijk

Hoe vrij is onze meningsuiting?

Een paar maanden geleden schreef een oude kennis op facebook dat het niet normaal is dat we in Nederland homoseksualiteit accepteren en zeker niet dat we hier ook nog aandacht aan besteden op bijzondere dagen, zoals Paarse Vrijdag. Nederland moest wakker worden en dit soort wegen niet willen inslaan.

Nu ben ik op zich wel wat gewend hoor. Als je opgroeit in een reformatorische omgeving en lesbisch bent, is dat nu eenmaal een ding. Het bericht liet mij vooral nadenken over de vrijheid van meningsuiting. Die vrijheid vinden we allemaal belangrijk, zelfs als de mening die geuit wordt wat aan de extreme kant is. Maar een mening kan ook kwetsend zijn. Zeker via internet worden er nogal wat meningen geuit, die lang niet altijd even vriendelijk zijn. Dat roept bij mij de vraag op: tot hoever vinden we de vrijheid van meningsuiting eigenlijk acceptabel?

Om het beantwoorden van deze vraag wat makkelijker te maken heb ik een indeling gemaakt van meningsuitingen. Ik ben gekomen tot vijf categorieën.

  1. Je mening uiten in je handelen

Ik ben van mening dat het beter is om wat minder vlees te eten, want de vleesindustrie heeft een negatieve invloed op het milieu. Om die reden heb ik een eetwissel doorgevoerd en ben ik overgestapt van een stukje vlees naar iets vegetarisch als toevoeging aan mijn aardappelen en groente. Die mening hoef ik aan niemand te vertellen. Ik uit deze mening puur en alleen door die vegetarische burgers in mijn winkelmandje te leggen en het stukje vlees te laten liggen. Stel jij bent van mening dat het niet goed is een homoseksuele relatie aan te gaan, dan betekent dat niets meer dan dat jijzelf die relatie niet zou aangaan.

  1. Je mening uiten in woorden (en handelen)

Met deze blog heb ik mijn mening over vlees eten niet meer voor mezelf gehouden, maar heb ik deze ook geuit in woorden. Een mening uiten in woorden hoeft natuurlijk niet per se op papier, maar kan ook op dat verjaardagsfeestje of bij de koffieautomaat. Meningen in deze categorie hebben alleen betrekking op jezelf. Ik verwacht niet dat jij ook minder vlees gaat eten. Ik heb bijvoorbeeld een aantal vrienden en familieleden die zelf nooit een homoseksuele relatie zouden aangaan, omdat ze daar niet achter staan. Maar zij betrekken dat enkel op zichzelf en oordelen er niet over dat ik zelf die relatie wel zou willen aangaan.

  1. Een ander van jouw mening overtuigen

In deze categorie betrek je je mening niet meer enkel op jezelf. Je probeert de ander ervan te overtuigen dat hij jouw mening ook moet hebben. Ik vertel dus niet alleen dat ik minder vlees eet en waarom, maar laat ook doorschemeren dat ik eigenlijk vind dat anderen ook minder vlees moeten gaan eten. In het geval van homoseksualiteit ga je zover dat je vind dat een ander ook geen relatie mag aangaan. Maar je bent je ervan bewust dat anderen een andere mening kunnen hebben en kunt daar nog wel respect voor opbrengen.

  1. Je mening als absolute waarheid uiten

In deze categorie zie je jouw mening als de absolute waarheid. Er is geen ruimte meer voor een andere mening, want hoe jij erover denkt is de enige juiste manier om erover te denken. Dat maakt dat je ook oordeelt over die ander. Die ander mist iets, ziet iets niet wat voor jou zo duidelijk is. In dit geval zou ik oordelen over iedereen die maar maximaal vlees blijft consumeren. Ik zou die personen op een bepaalde manier een slechter mens vinden dan ikzelf. De geuite mening op facebook over homoseksualiteit valt in deze categorie. Als je zegt dat het niet normaal is dat mensen homoseksualiteit accepteren, is jouw mening blijkbaar de norm. En als Nederland wakker moet worden om dit te zien, is dat omdat zij iets missen dat zo duidelijk is, dat als je dat niet ziet, je waarschijnlijk slaapt.

  1. Met dwang je mening opleggen aan anderen

In deze categorie gaat het eigenlijk al verder dan het uiten van een mening. Je uit niet alleen je mening als absolute waarheid, maar gaat anderen ook dwingen dezelfde mening te hebben. Dat klinkt extreem, maar doet zich ook op subtielere wijze voor. Zo zijn er bijvoorbeeld geloofsgemeenschappen waar de overtuiging van de leiders een absolute waarheid is en mensen hooguit binnen die kaders nog zelf hoeven na te denken. Misschien was de Nashville-verklaring, die vorig jaar voor nogal wat ophef zorgde, hier ook wel een voorbeeld van.

 

Mijn mening over meningsuiting

Met deze categorieën als basis kan ik voor mezelf wel een mening vormen over de vrijheid van meningsuiting. Respect vormt daarbij voor mij de sleutel. Zolang er respect is, is een mening wat mij betreft geaccepteerd. Meningsuitingen in de eerste twee categorieën hebben alleen betrekking op de eigen persoon en zijn allemaal respectvol. De wereld zou een veel mooiere plek zijn als we wat minder zouden vinden dat een ander hetzelfde moet vinden als wij. Vanaf categorie 4 valt respect voor andersdenkenden weg. Vanaf dat punt gaat de meningsuiting mij te ver.

De discussie valt dus te voeren over categorie 3. Respect voor andersdenkenden is daar nog wel aanwezig. Toch merk ik dat hier nog een onderscheid gemaakt moet worden in het onderwerp van de meningsuiting.

Ik heb steeds twee voorbeelden aangehaald: een mening over vlees eten en een mening over homoseksualiteit. Vegetarisch eten is een vrije keuze, die (vrijwel) ieder mens volledig zelf kan maken. Daarmee bedoel ik dat er in principe geen reden is waarom iemand beperkt wordt in de keuze om wel of niet vegetarisch te eten. Als iemand van mening is dat iedereen vegetarisch zou moeten eten, vind ik dat geaccepteerd (al ben ik het er niet mee eens). Pas als dit een absolute waarheid wordt en diegene mij veroordeelt omdat ik vlees blijf eten, vind ik het niet meer acceptabel. Maar dan zitten we al in categorie 4.

Het voorbeeld van homoseksualiteit is anders. Dat is namelijk niet een vrije keuze, maar iets wat je nu eenmaal hebt, een stukje identiteit. Lesbisch zijn is meer dan op vrouwen vallen. Het maakt mij tot wie ik ben. Ik kan er bovendien niet voor kiezen verliefd te worden op een man. Op het moment dat een ander gaat bepalen wat ik hier wel en niet mee mag doen, neemt de ander mij een stukje identiteit af. Hier valt respect weg, doordat het onderwerp van de meningsuiting de identiteit van een ander betreft.

Ik kan dus concluderen dat naar mijn mening, een meningsuiting geaccepteerd is zolang deze gepaard gaat met respect. Respect is aanwezig als de meningsuiting enkel betrekking heeft op de persoon zelf, en vaak ook als het onderwerp van de (met name negatieve) meningsuiting niet te nauw gelinkt is aan de identiteit van een ander. Het respect valt weg zodra de meningsuiting zodanig is dat er geen ruimte meer is voor de mening van een ander, of een ander in zijn identiteit wordt aangevallen. Naar mijn mening gaat de meningsuiting dan een stapje te ver en moeten we dat zoveel mogelijk vermijden.

 

Boekrecensies·Over mij·Uncategorized

Leesjaar 2019

2019 was een goed leesjaar voor mij. Ik las maar liefst 69 boeken, veel meer dan normaal is voor mij. Daarnaast ontdekte ik in 2019 het luisterboek. Het luisterboek maakte het mogelijk te ‘lezen’ als ik daar eigenlijk te moe voor was, of om tijdens het ‘lezen’ ook nog iets anders te doen (poetsen, legpuzzel maken, Nederland borduren, etc.). Aan het einde van het jaar is het altijd leuk om even terug te blikken en de topboeken van mijn leesjaar uit te lichten.

 De toppers van 2019

Al vroeg in het jaar las ik Papegaai vloog over de IJssel, van Kader Abdolah, omdat dit verhaal zich afspeelt in de regio waar ik nu ongeveer een jaar woon. Een prachtig geschreven verhaal over vluchtelingen die worden opgenomen in een dorpsgemeenschap aan de IJssel en proberen daar te aarden.

Nog maar kort geleden las ik Goat Mountain, van David Vann. Dit gaat over een elfjarige jongen die met zijn vader, grootvader en familievriend Tom elk jaar gaat jagen. Dit jaar zal hij zijn eerste hert gaan schieten, maar eenmaal op het landgoed, ziet de vader een stroper in het vizier van zijn geweer. Hij laat de jongen door het vizier kijken en dat heeft catastrofale gevolgen. Mooi aan het boek vond ik de subtiele wijze waarop conflicterende emoties als schuld, loyaliteit, haat, liefde en onmacht tot uitdrukking komen in de handelingen van de verschillende personages.

Van Jaap Robben las ik Zomervacht en ben ik bezig met Birk. Zomervacht gaat over een dertienjarige jongen die met zijn vader in een caravan woont en in de zomer voor zijn gehandicapte broer moet zorgen. Birk speelt zich af op een afgezonderd eiland met drie huizen, en draait om een jongen wiens vader verdrinkt. Beide boeken zijn prachtig geschreven vanuit het perspectief van een kind.

Van Rob van Essen las ik het prijswinnende boek De goede zoon. Het kleine drama bij de kassa van de supermarkt trok mij meteen met een glimlach het boek in. Het verhaal speelt zich af in de toekomst, maar het verhaal zelf is uiteindelijk slechts een decor om het eigenlijke verhaal van de hoofdpersoon en zijn relatie met zijn moeder te vertellen.

Tot slot mag Zondagskind van Judith Visser hier niet ontbreken. Dit verhaal wordt verteld vanuit het perspectief van een meisje met Asperger, in een tijd waarin hier nog niet veel over bekend was. Het verhaal laat heel mooi zien hoe we verwachten dat iedereen meedraait in het systeem zoals we dat bedacht hebben en hoe moeilijk dat is als je anders in elkaar steekt dan de meeste mensen.

De series van 2019

Series zijn best wel bepalend voor en leesjaar, want je leest immers niet één, maar meerdere boeken. Niets is leuker dan na het uitlezen van een boek verder te kunnen lezen in hetzelfde verhaal, maar dan net anders. Series zijn er in veel soorten en maten en ik las in 2019 delen van een aantal hele verschillende series.

Allereerst las ik de thrillerserie van M. J. Arlidge. Een heerlijke spannende serie, waarvan ik de meeste boeken in een paar dagen uitgelezen heb. In 2020 verschijnt er gewoon weer een nieuw deel!

Een totaal andere serie is die van Lucinda Riley. De zeven zussen had ik al vaak in de boekwinkel zien liggen voordat ik besloot er ook maar eens aan te beginnen. De boeken zijn een beetje sprookjesachtig, lezen lekker weg en zijn deels historische romans omdat in de zoektocht van de adoptiezussen naar hun biologische achtergrond het verhaal van de voorouders wordt verteld. Ze behoren niet tot mijn absolute favorieten, maar zijn wel nieuwsgierig en zorgen voor een heerlijk stukje ontspanning.

Van de derde serie heb ik twee delen gelezen: Het Bureau van J. J. Voskuil. Deze klassieker van zeven delen gaat over Maarten Koning die op Het Bureau werkt en onderzoek doet naar Volkscultuur. De serie gaat over hoe mensen op hun werk met elkaar omgaan en vooral ook over een hoofdpersoon die eigenlijk geen carrière wil maken. Verder gebeurt er eigenlijk bar weinig, maar het is zo mooi geschreven dat dat echt niet uitmaakt.

De echte topper van 2019

Mijn boek van het jaar is deel 1 van de serie: De Aardkinderen van Jean M. Auel. Ik stuitte erop in de kringloop, en het idee van een verhaal over een meisje dat 35.000 jaar geleden als enige overblijft na een aardbeving en door neanderthalers in hun stam wordt opgenomen, sprak me aan. Deel 1, De stam van de Holebeer, vond ik zo mooi, omdat het meisje door haar anders zijn steeds onbedoeld de gebruiken en ideeën van de stam op scherp zet. Zo mogen vrouwen niet jagen, maar het meisje leert zichzelf in het geheim met een slinger omgaan. Als een jongetje gegrepen wordt door een roofdier, doodt ze het beest met twee stenen. En dan ontstaat er meteen een probleem, want volgens de regels en gebruiken moet het meisje nu de doodvloek krijgen, maar ze heeft wel het leven gered van het jongetje. Hoewel ik deel 2 iets minder vond, omdat het meisje hierin de stam verlaat en lange tijd in eenzaamheid leeft, kijk ik uit naar deel 3, omdat zij dan naar een mensenstam zal gaan.

Al met al was het een mooi leesjaar en kijk ik uit naar de boeken van 2020!